De kluizenaar van de venen ofte Léon Rinquet (1891-1974) maakte deze plek tot de zijne.
Na zijn studies tot doctor in de fysische en wiskundige wetenschappen, kon hij aan de slag in het atheneum van Namen. Echter na het overlijden van zijn moeder begin de jaren ’30 was hij ontroostbaar. Hij koesterde diepe wrok jegens het ministerie van openbaar onderwijs dat hem omwille van een overplaatsing van zijn moeder distantieerde. Hierdoor kon hij niet voor haar zorgen zoals hij het wilde. Kwaad op de wereld besloot Léon zijn job en zijn huis op te geven en eenzaamheid te zoeken in de venen. In 1935 arriveerde hij in Xhoffraix waar hij een toevluchtsoord wilde openen voor “echte fagnards”
Hij ging immers op zoek naar een vlot bereikbare plek die toch midden in de venen ligt, en kwam in fagne Fraineu terecht. Samen met twee vrienden startte Léon vol goede moet zijn project op. Het doel was duidelijk: back to basics, enkel het essentiële zou in het bouwwerk vervat zitten, enkel in spartaanse omstandigheden kan je de venen echt beleven.
Wat dan volgt is een verhaal van vallen en opstaan.
Wanneer in 1937 de lange, massief houten hut er staat, slaat al snel het noodlot toe. Nog voordat alles goed en wel klaar was, sloeg de bliksem in op het rieten dak. De houten constructie werd al snel herleid tot as. Léon zijn fortuin was in rook opgegaan.
Onder stimulans van zijn vrienden vond hij de moed om toch opnieuw te starten met de bouw van een kleinere cabine als onderkomen. Echter nadat de Duitsers dit een ideaal doelwit vonden voor schietoefeningen tijdens de Tweede Wereldoorlog, schoot ook hier niet veel van over.
Hopelijk derde keer goede keer. Nadat Léon vergoed was voor de oorlogsschade kon hij opnieuw aan de bouw beginnen. Nu werd het een in de grond ingebouwde hut waarbij het dak tot aan de grond rijkt, en met gras bedekt werd. Opnieuw was de inrichting uiterst rudimentair. Een oude kachel een een petroleumlamp waren misschien wel de luxe-items. Oude dekens op stro volstonden als bed. Vanaf 1947 zou Léon hier het grootste deel van zijn tijd wonen. Enkel ’s winters kwam hij de warmte opzoeken in Xhoffraix. Hij zal altijd wat blijven bouwen aan de hut die nooit helemaal af is. Een winter met hevige sneeuwval zal uiteindelijk het einde van de hut betekenen. Onder het gewicht van de sneeuw, begeeft het dak het. Léon geeft het op. De laatste jaren van zijn leven zal hij in het dorp van Xhoffraix wonen.
En die Négus, wat heeft die ermee te maken? Het zit zo: Léon laat na aankomst in de venen zijn baard groeien. Steeds meer begint hij gelijkenissen te vertonen met koning Négus, koning der koningen in Ethiopia. Al snel is zijn bijnaam in het dorp gemaakt.
Van de hut schiet na al die jaren niet veel meer over. Wat rest is de kuil waarin de in de grond ingewerkte hut ooit het toevluchtsoord was van deze eigenzinnige kluizenaar.
Bezoekje brengen: coördinaten 50.48149 6.04213